Wanneer is er een recht tot afscheiding?

 

Het recht van de Afscheiding

 

Inleiding

We leven in een tijd van kerkelijke onzekerheid. Voor velen is de duidelijkheid van vroeger weggevallen. De kerkverbanden die zich dertig jaar geleden nog gereformeerd konden noemen, verkeren in crisis en verliezen in snel tempo hun gereformeerde identiteit of hebben die al verloren. Al jarenlang is er sprake van afscheidingen van het verband van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt), waarbij velen zich de vraag stellen ‘wanneer mag of moet ik me afscheiden?’ Daarnaast komt de vraag bij welk kerkverband je je dan vervolgens moet aansluiten. Sommigen gaan zelfs (terug) naar een gemeente van Gereformeerde Bondsignatuur in de Protestantse Kerk Nederland. Voor velen is die keus uit de nood geboren, voor sommigen is die keus principieel gemotiveerd.1

Kerkelijke onzekerheid kan voortkomen uit onbekendheid met de kerkgeschiedenis. Leden van GKV, DGK of GKN staan in de traditie van de Afscheiding van 1834, waarbij de kerkenraad van Ulrum door de ondertekening van de ‘Acte van Afscheiding of Weederkering’ zich afscheidde van de Nederlands Hervormde Kerk. Wie vandaag kerkelijke keuzes moet maken, kan daar niet omheen. Die zal zich ook opnieuw de vraag moeten stellen: ‘sta ik nog met overtuiging in de traditie van de Afscheiding of niet?’.

Wij kunnen vandaag onze winst doen met de kennis van de geschiedenis van de Afscheiding. Een kerndocument uit de tijd van de Afscheiding is de zogenaamde ‘Acte van Afscheiding of Weederkering’. In de bespreking van de betekenis van de Afscheiding voor ons vandaag zal de Acte als historisch document worden beschouwd. Want dat is het ook. Het is geen normatief document. Wel is het zo dat de sterke verworteling van de Acte in de belijdenis maakt dat het ons, juist in normatief opzicht, iets te zeggen heeft en we er niet omheen kunnen. Maar dan wel met inachtneming van de historische achtergrond en met de Schrift als enige norm en de belijdenis als daarvan afgeleide norm.

Acte van Afscheiding of Weederkering

Van belang is om hier te melden dat deze Acte een document is dat is op naam staat van de kerkenraad van Ulrum. Daaruit is de conclusie te trekken dat het in beginsel gaat om een plaatselijke kerkelijke zaak.

Dat is belangrijk, omdat we hier al meteen een verschil zien tussen het kerkrecht van de Afscheiding en het kerkrecht van de Nederlands Hervormde Kerk. Veel misverstanden over de Afscheiding komen alleen al hieruit voort. Wie denkt vanuit een landelijke kerk (de Nederlands Hervormde Kerk) benadert de kwestie vanuit een heel ander perspectief dan wie vanuit de zelfstandigheid van de plaatselijke kerk denkt (de Afscheiding).

In de Acte van Afscheiding of Weederkering schreef de kerkenraad van Ulrum onder andere het volgende:

Uit dit alles tezamen genomen is het nu meer als duidelijk geworden dat de Nederlandsche Hervormde Kerk niet de ware, maar de valsche kerk is volgens Gods woord en Art. 29 van onze belijdenis, weshalve de ondergetekenden met dezen verklaren dat zij overeenkomstig het ampt aller gelovigen Art. 28 zich afscheiden van degene die niet van de Kerk zijn, en dus geen gemeenschap meer te willen hebben, met de Nederlandsche Hervormde Kerk, tot dat deze terug keert tot de waarachtige dienst des Heeren…‘.

In deze woorden staat de kern van de Acte beschreven. Het zijn juist ook deze woorden die aanleiding kunnen geven tot allerlei misverstanden. Een aantal opvallende zaken licht ik eruit om die vervolgens te bespreken.

Allereerst is er een belangrijke plaats weggelegd voor het ambt van alle gelovigen. Dit wordt verbonden met de roeping om zich af te scheiden van hen die niet van de kerk zijn en zich te voegen bij de ware kerk, zoals dat verwoord wordt in artikel 28 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis.

Hier komt in de Acte dan ook het woord ‘afscheiden‘ voor. Het is dus in ieder geval een term die ontleend is aan de gereformeerde belijdenis. Maar juist daarom omvat de term meer dan alleen maar wat meestal bedoeld wordt met de vraag: ‘(wanneer) mag je je afscheiden van een kerk?’.

Opvallend is ook het onbekommerde gebruik van de termen ‘ware’ en ‘valse’ kerk. Daarmee wordt een duidelijke parallel getrokken tussen de Nederlands Hervormde Kerk en de Roomse kerk in de tijd van de Reformatie. Het levert voor vandaag de vraag op wanneer je een kerk ‘vals’ mag noemen en of het nodig is om een kerk ‘vals’ te noemen als je je van haar afscheidt.

Tenslotte vinden we ook de term ‘Weederkering’ uit de titel van de Acte terug in de woorden ‘tot dat deze terug keert tot de waarachtige dienst des Heeren’. Wat wordt hier bedoeld? De terugkeer tot de Nederlands Hervormde Kerk? Of de terugkeer van de Nederlands Hervormde Kerk? Voor vandaag levert het de vraag op of deze zinsnede ons iets te zeggen heeft met het oog op het ontstaan van de Hersteld Hervormde Kerk.

Ambt van alle gelovigen

In de Acte van Afscheiding of Weederkering is sprake van het ambt van alle gelovigen. Het begrip is ontleend aan artikel 28 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Daar wordt beleden dat het volgens Gods Woord de roeping van alle gelovigen is zich af te scheiden van hen die niet bij de kerk horen, en zich bij deze vergadering (de kerk, LH) te voegen op iedere plaats waar God haar gesteld heeft, zelfs al zouden de overheden en wetten van de vorsten zich daartegen verzetten en al zou er de dood of lijfstraf op staan.

In artikel 28 wordt deze roeping van de gelovigen vanzelfsprekend toegepast op de kerk, omdat de kerk het onderwerp van dit deel van de belijdenis is. In andere delen van de gereformeerde belijdenis komen we het ambt van de gelovigen ook tegen. Eén van de duidelijkste plaatsen is vraag en antwoord 32 van de Heidelbergse Catechismus. Daar vinden we de meest kernachtige omschrijving van het ambt van alle gelovigen. Als christen hebben we de roeping om als profeet Christus’ naam te belijden, als priester ons leven als een levend dankoffer aan God te wijden en met Christus als koningen dagelijks te strijden tegen de zonde.

Onder iedere omstandigheid, of de kerk in verval is of niet, hebben christenen deze roeping. In een gedeformeerde of deformerende kerk komt die roeping minstens zo sterk op de gelovigen af als in een gereformeerde kerk. Want juist deze roeping heeft een reformerende werking. Het profeteren maakt dat de gemeente gewezen wordt op het Woord. Het dagelijks leven van dankbaarheid legt daar getuigenis van af. En de strijd tegen de zonde, ook tegen die van de hele gemeente, maakt dat deformatie wordt tegengegaan.

De roeping van iedere gelovige kan ook op een andere manier worden geformuleerd. Bijvoorbeeld zoals Micha dat doet: ‘Hij heeft u bekend gemaakt, o mens, wat goed is, niet anders dan recht te doen, getrouwheid lief te hebben en ootmoedig te wandelen met uw God’ (Micha 6:8). K. Schilder noemde deze tekst niet voor niets de ‘vocativus der reformatie’ oftewel ‘de oproep van de reformatie’. Wie op die manier leeft die wil niet zondigen, maar beantwoorden aan Gods liefde en heiligheid.

Hierdoor wordt ook duidelijk dat wie christen is, niet van de wereld is. In woord en daad onderscheiden ze zich van hen die niet van de kerk zijn en voegen zich bij de gemeente van Christus. Met andere woorden: het ambt van de gelovigen is gemeente stichtend.

Nu is er op iedere plaats waar een gemeente is, ooit voor het eerst een gemeente gesticht. Het stichten van zo’n gemeente wordt institueren genoemd. Maar daarmee is het institueren niet klaar.2 Een christelijke gemeente is een levend en beweeglijk lichaam. Iedere dag is er zonde en afdwaling bij God vandaan, zodat er iedere dag een nieuwe bekering tot Hem nodig is. Er kunnen zich nieuwe leden aandienen en ook kunnen er leden afvallen. Het proces van gemeentevorming gaat dagelijks door. Het is beter om te zeggen dat Christus zijn gemeente voortdurend opbouwt en bijeenhoudt. Dat kun je de dagelijkse of voortdurende kerkinstituering noemen. Dat betekent ook dat het afscheiden van hen die niet van de kerk zijn en het voegen bij Christus’ gemeente meer inhoudt dan het eenmalig zich aanmelden bij de kerk. Ook dit is een dagelijkse activiteit, die rechtstreeks voortvloeit uit het ambt van alle gelovigen. Hier zien we iets terug van het dynamische karakter van de kerk.

We zien hier een harmonisch samengaan van het ambt van alle gelovigen en het zogenaamde bijzondere ambt. Beide ambten hebben een heel eigensoortige roeping. Het ambt van alle gelovigen geldt voor iedere christen, ambtsdrager of niet. Het bijzondere van het bijzonder ambt is gelegen in de leidinggevende, regerende taak, die inderdaad niet aan iedereen is gegeven.

Volgens de Nederlandse Geloofsbelijdenis staat het ambt van alle gelovigen zelfs aan de basis van de kerkinstituering. Hier speelt ook de tegenstelling tussen Rome en de Reformatie een rol. De Roomse hiërarchie maakte van het ambt een status. Er trad dan ook concurrentie op tussen het ambt van alle gelovigen en het bijzondere ambt. Juist de concurrentie tussen algemeen en bijzonder ambt (leken en clerus) is Rooms. Het is dan ook niet waar dat de Reformatie het ambt van alle gelovigen tegenover het bijzondere ambt heeft geplaatst of de gemeente een positie tegenover de kerkenraad heeft gegeven. De tegenstelling tussen Rome en de Reformatie was een heel andere. Het ambt van alle gelovigen werd gesteld tegenover het ambt van de enkeling (de clerus in de Roomse kerk).

Er is geen sprake van dat het ambt van alle gelovigen pas in werking treedt op het moment dat het bijzondere ambt in gebreke blijft. Bij de Afscheiding was dat niet anders. In de Acte van Afscheiding en Weederkering is dat goed terug te zien. Het is onmogelijk dat de opstellers van de Acte zich door hun beroep op het ambt van alle gelovigen keerden tegen het in gebreke blijven van het bijzonder ambt, aangezien zij zelf ambtsdragers waren. De ambtsdragers van Ulrum verstonden beide ambten.

Botsing van plichten

Het ambt van alle gelovigen kan nooit botsen met het bijzondere ambt. Het ambt van alle gelovigen botst altijd met de zonde en daarom botsen gelovigen met alles wat tot zonde dwingt. In de tijd van de Reformatie botsten gelovigen met de paus die als enkeling dwong tot zondigen. In de situatie van de Nederlands Hervormde Kerk rond 1834 was dat het landelijke kerkinstituut.

Sinds 1816 was de Nederlands Hervormde Kerk een landelijk georganiseerd instituut. Iedere plaatselijke gemeente was in principe een afdeling van de landelijke kerk. Dat werd geregeld in het zogenaamde ‘Algemeen Reglement’. Iedere plaatselijke gemeente werd geacht zich aan dat Reglement te houden. Zo had de koning het aan de kerk opgelegd.

In het Algemeen Reglement worden ook de belijdenisgeschriften genoemd waarvan iedereen wordt geacht de inhoud voor zijn rekening te nemen. Maar naast de drie gereformeerde belijdenisgeschriften worden daar ook geschriften opgenoemd die voor een deel een ongereformeerde inhoud hebben. Dat betekent dat iedereen geacht wordt om ook die ongereformeerde belijdenissen voor zijn rekening te nemen. Maar een christen die het ambt van de gelovigen serieus neemt, kan dat nooit doen. Er is dus een botsing van plichten ontstaan. De leden van de NHK moeten zich aan het Reglement houden, maar door dat te doen moeten ze de gereformeerde belijdenis geweld aandoen. Maar als ze zich aan de gereformeerde belijdenis houden, dan moeten ze het Reglement geweld aandoen. De kerkelijke inrichting van de NHK vanaf 1816 bevatte in aanleg een dwang tot zondigen.

Je kunt je afvragen waarom er zoveel tijd is verstreken sinds 1816 totdat de Afscheiding kwam. Er zit maar liefst 18 jaar tussen. Ds. Hendrik de Cock die in Ulrum predikant was, kwam zelf pas relatief laat tot de ontdekking van de inhoud en de consequenties van één van de drie Formulieren van Eenheid: de Dordtse Leerregels. Zodoende kwam het actieve bezwaar tegen de dwang om ongereformeerde belijdenissen te erkennen pas laat op gang.

Nadat kerkenraden en predikanten, waaronder De Cock, tot het inzicht kwamen hoe belangrijk de gereformeerde belijdenis was en dat al het belijden dat niet gereformeerd was omwille van de geestelijke veiligheid van de gemeenten bestreden moest worden, klonk er protest op tegen allerlei zaken. De Cock, die zijn kerkenraad achter zich had staan, weigerde zich te houden aan de dwang die uitging van het Algemeen Reglement. Hij aanvaardde alleen de drie gereformeerde belijdenisgeschriften. Hij protesteerde ook tegen andere zaken, zoals bijvoorbeeld de invoering van de Evangelische Gezangen. Feitelijk zondigde hij met zijn publieke protest tegen het Algemeen Reglement. Hij en de kerkenraad van Ulrum luisterden niet naar het landelijke kerkbestuur, maar wilden alleen luisteren naar het Woord van God. Dat was vanuit Gods Woord verantwoord, want het kerkbestuur dwong hem om in te gaan tegen het Woord.

Ondertussen werden De Cock en anderen al een tijdje ‘separatisten’ genoemd. Mensen dus met een afscheidingsdrang. Dat gebeurde al jaren vóórdat de Acte van Afscheiding of Weederkering getekend was. En eigenlijk was dat, bezien vanuit het landelijke kerkbestuur, wel logisch ook. Wie zich niet houdt aan de reglementen en als plaatselijke gemeente niet gehoorzaam is aan het kerkbestuur, is op een bepaalde manier bezig zich af te zonderen. Maar, hoewel het in de ogen van het kerkbestuur logisch was, is de benaming ‘separatisten’ natuurlijk niet op zijn plaats. Want wie zich van de bepalingen van het kerkbestuur afzondert, die zondert zich nog niet van de gemeente van Christus af. Dat zou waar zijn als het wezen van de kerk in het kerkinstituut zou liggen.

De Cock en anderen waren bezig het ambt van de gelovigen serieus te nemen. Ze riepen op tot terugkeer tot de gereformeerde belijdenis. Dat is geen afscheiding van de kerk, maar reformatie van de kerk. Ze weigerden zich alleen te houden aan bepalingen die hen dwongen om te zondigen én ze protesteerden daar publiek tegen. Het moet gezegd worden dat zij daarin niet altijd even wijs te werk gingen. Maar zou het veel beter zijn om dan maar niet te protesteren? De vraag stellen is haar beantwoorden.

Dat alles mondde uit in tuchtmaatregelen tegen o.a. De Cock, zodat hij ook het ambt van predikant voorlopig niet meer mocht uitoefenen. Die tuchtmaatregelen waren een vervolg op de dwang die uitging van het Algemeen Reglement. Wie zich niet aan die dwang onderwierp, kon geen predikant zijn. Dat was de duidelijke boodschap van de schorsing van De Cock. Langzamerhand zag je het gebeuren dat niet de zogenaamde separatisten zich afscheidden, maar dat zij juist werden afgescheiden door de kerkbesturen.

Daarom weigerde de kerkenraad van Ulrum om die schorsing te erkennen. Dat was een publieke daad van ongehoorzaamheid aan het kerkbestuur van de Nederlands Hervormde Kerk. Maar het was niet een nieuwe stap. Ze waren steeds al ongehoorzaam geweest aan het kerkbestuur. Het was ook nog steeds een daad van gehoorzaamheid aan het Woord.

Nu de weigering om gehoorzaam te zijn aan het kerkbestuur ook in daden publiek werd, moest dat ook publiek verantwoord worden. Dan kon er geen misverstand bestaan over hun positie. Het moest bijvoorbeeld duidelijk zijn dat het de kerkenraad van Ulrum vanaf het begin gegaan was om de gehoorzaamheid aan en de terugkeer tot het Woord van God en om de binding aan alle drie de Formulieren van Eenheid. En dat de weigering om gehoorzaam te zijn aan het Hervormde kerkbestuur het gevolg was van de afval van het Woord door dat kerkbestuur en dat ze De Cock als predikant bleven erkennen. Maar ook dat Ulrum gewoon gemeente van Christus gebleven was en niet, zoals velen het al jaren noemden, zich van de kerk had afgescheiden. Ulrum had niets anders gedaan dan, zoals ze steeds had gedaan, overeenkomstig het ambt van de gelovigen zich afgescheiden van de wereld, het evangelie gepreekt en geweigerd zich te laten dwingen tot zonde. Juist de Nederlands Hervormde Kerk deed dat niet. Zij verbond zich juist met de wereld door het gedachtegoed van de wereld consequent in de kerk te brengen. Zo kon de uitvoering van het ambt van alle gelovigen overeenkomstig NGB artikel 28 in 1834 alleen maar leiden tot de concrete stap van het zich afscheiden van de Nederlands Hervormde Kerk.

Daarom was de Acte van Afscheiding ook niet zozeer een nieuwe, op zichzelf staande daad. Het was slechts een publieke verantwoording van wat al gebeurd was toen de kerkenraad van Ulrum hun predikant bleef erkennen als wettig dienaar van het Woord. Het is dan ook niet terecht om de Acte op te vatten als een document dat geschreven is door mensen die zich van de kerkelijke gemeenschap hebben afgescheiden. Het is juist een document van mensen die door de kerkelijke gemeenschap worden afgescheiden en die hiermee nog één laatste publieke appel doen op die gemeenschap om de gemeenschap juist te blijven onderhouden.

Afscheiding en afscheiding

Het maakt nogal wat uit hoe we de term ‘afscheiding’ interpreteren. Was de Afscheiding een actieve afscheiding van de kerkelijke gemeenschap, omdat die was gedeformeerd? Heeft Ulrum een nieuwe kerk opgericht? Een kerk waarin men gelijk gezind was? Hebben ds. De Cock, Scholte, Brummelkamp en de andere jonge predikanten die zich vanaf 1834 van de Nederlands Hervormde Kerk afscheidden zich meer laten leiden door hun onervarenheid, geestdrift, hun karakter misschien, dan door Gods Woord? Hebben de zogenaamde ‘Gereformeerde Bonders’ gelijk als ze zeggen dat de Afscheiding heeft geresulteerd in de ene afscheiding na de andere? Hebben wij de ontzettende kerkelijke verdeeldheid in ons land te danken aan een ‘afscheidingsbeginsel’?

Nu moeten we ervan uitgaan dat niet iedereen die meeging met de Afscheiding hier precies gelijk over dacht. Er was, juist op dit punt, verschil van inzicht. Vrij duidelijk is dat tot uiting gekomen in het conflict dat De Cock later kreeg met ds. Scholte. Scholte was, veel meer dan De Cock, een voorstander van actieve afscheiding. Ook de visie op de kerk verschilde tussen die twee. Terwijl De Cock de gemeente zag als verbondsgemeente, ging Scholte veel meer uit van de onzichtbare kerk. De zichtbare eenheid woog hem minder zwaar. De Cock wilde zoveel mogelijk zich houden aan de Dordtse Kerkorde, maar Scholte wenste liever helemaal geen kerkorde. Dat geeft aan de kerkvisie van Scholte een sterk individualistisch en independentistisch karakter. Deze tegenstelling heeft een belangrijke rol gespeeld in de beschamende twisten en scheuringen die de afgescheiden kerken hebben laten zien in de jaren na de Afscheiding.

De Acte van Afscheiding geeft zelf ook aanleiding tot misverstand. Of op zijn minst tot verschillende interpretaties. Dat zit hem in het woordje ‘afscheiding’. De titel van de Acte en de verwoording ervan geven op zijn minst enige aanleiding voor de gedachte dat Ulrum zich van de kerkelijke gemeenschap heeft afgescheiden.

Dat er enige verduidelijking noodzakelijk was, blijkt wel uit de nadere verklaring die de kerkenraad van Ulrum uitgegeven heeft. Daar staat namelijk:

‘…Wij hebben ons gescheiden geliefde Land- en Geloofsgenooten! niet van de ware Gereformeerde Kerk, noch van de ware Gereformeerden; integendeel reiken wij die alle bij dezen de broederhand, en verzoeken de hunne terug, om te onderhouden de gemeenschap der heiligen, vereenigd door een geloof, door eenen doop en door éénen Geest, zoo nu onderling als met onze vaderen die weleer van het Roomsche Beest zich afgescheiden en met hun goed en bloed de vrijheid van dat geloof gekocht hebben‘.

Het maakt een enorm verschil hoe je de Afscheiding beoordeelt. Is het een oproep tot actieve afscheiding van de kerkgemeenschap of is het juist een oproep tot het onderhouden van de gemeenschap? Die twee interpretaties sluiten elkaar uit!

Het is nodig om ons af te vragen wat er bedoeld wordt met de term ‘afscheiding’. Hier ligt een belangrijke bron van misverstand. Dat blijkt alleen al uit de verschillende interpretaties die mogelijk zijn en die alle iets anders betekenen. Het is namelijk niet hetzelfde als je je afscheidt van:

  • de wereld,

  • een kerkelijke gemeenschap,

  • een kerkverband of van

  • een kerkinstituut

We lopen ze kort na.

Afscheiding van de wereld is een plicht voor iedere gelovige (2 Kor. 6:14-17; Opb. 18:4). Wij zijn niet van de wereld vanwege de vijandschap tussen vrouwenzaad en slangenzaad (Joh. 17:16; Gen. 3:15). Dat betekent niet dat we onszelf isoleren en uit het maatschappelijke verkeer verdwijnen (Joh. 17:15; 1 Kor. 5:10). Maar wel dat wij beseffen dat wij bijwoners en vreemdelingen zijn en ook zo leven (1 Pet. 2:11). We moeten vluchten van de afgodendienst (1 Kor. 10:14). We mogen niet deelnemen aan de onvruchtbare werken van de duisternis (Ef. 5:11).

Afscheiding van de wereld is de keerzijde van kerkvorming. Zo is de kerk uit de wereld geroepen (vgl. het Griekse woord voor ‘gemeente’: ek-klesia). Je bent van de wereld of je bent van Christus. Daar zit niets tussen. Je bent van de kerk of je bent niet van de kerk. In artikel 28 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis wordt gesproken over de roeping van alle gelovigen om zich af te scheiden van hen die niet bij de kerk horen, en zich bij deze vergadering te voegen.

In de Acte van Afscheiding wordt hier duidelijk aan gerefereerd. Deze betekenis is mede een verklaring van het gebruikte woord ‘afscheiding’, ook al is het niet de volledige verklaring.

Afscheiding van een kerkelijke gemeenschap is onder ons de gebruikelijke interpretatie van het woord ‘afscheiding’. Het wil zeggen dat je de gemeente de rug toekeert. Het staat gelijk aan het zich onttrekken aan opzicht en tucht van de kerkenraad. Dit is aan de orde bij hen die niet langer deel willen uitmaken van de kerk. Dit is ook aan de orde bij hen die, na een eventuele periode van verontrusting, afscheid nemen van een gedeformeerde kerk.

In artikel 29 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis staat dat niemand het recht heeft zich van de ware kerk af te scheiden. Ogenblikkelijk dient zich dan de vraag aan wanneer een kerk geen ware kerk meer is. Hier liggen veel angels en voetklemmen. Want wat voor de één voldoende reden is om zich af te scheiden is het voor de ander nog lang niet. De vraag dringt zich op of dan niet de mensen gaan bepalen wanneer het moment daar is. En gaan mensen dan niet bepalen hoe lang het geduld met een gedeformeerde kerk mag duren? Soms zijn er in een deformerende kerk nog kenmerken van de ware kerk aanwezig. Er kan met recht gewezen worden op Bijbelse voorbeelden van goddelijk geduld met Israël, met de gemeente van Korinthe en zelfs met een goddeloze stad als Sodom als daar nog tien rechtvaardigen zouden zijn (Gen. 18: 32).

In de situatie van Ulrum in 1834 was dit op plaatselijk niveau niet aan de orde! De gemeente bleef in haar geheel voortbestaan.

Nu is het ook mogelijk dat een hele gemeente zich afscheidt van een kerkverband. Dat gebeurt wanneer een plaatselijke kerk de zusterkerkrelaties met de andere kerken in het verband verbreekt. Deze interpretatie zou je de collectieve variant van afscheiding van een kerkelijke gemeenschap kunnen noemen.

Was de Afscheiding van Ulrum dan niet zo’n collectieve afscheiding van een kerkelijke gemeenschap? De nadere verklaring van Ulrum bewijst dat dat niet de opzet was.

Om dit te verduidelijken moet onderscheid gemaakt worden tussen het wezen van een kerkverband en de organisatie van een kerkverband. Het kerkverband van de NHK sinds 1816 is anders georganiseerd dan het kerkverband van de Gereformeerde Kerken in 1943 en het kerkverband van de GKV anno nu. In een kerkverband dat is georganiseerd volgens de Dordtse Kerkorde is een kerkverband niet een permanent kerkinstituut, maar een erkenning van de gemeenschapsband tussen zelfstandige plaatselijke kerken onderling. Die kerken komen eens in de zoveel tijd bij elkaar en vormen dan geen hogere, maar meerdere vergaderingen, die een tijdelijk bestaan kennen.

De NHK was wel georganiseerd als een permanent kerkinstituut. De ‘afscheiding’ van Ulrum was gericht op de organisatie van het kerkverband en niet op het wezen van het kerkverband. Dit resulteerde erin dat de kerk van Ulrum sinds 1834 organisatorisch niet meer een plaatselijke afdeling van een landelijk kerkinstituut was, maar een zelfstandige kerk. Dat dit tot consequentie had dat ook de banden met andere kerken werd verbroken, moet niet worden toegeschreven aan de actie van Ulrum, maar aan het kerkelijke systeem van de NHK. Deze consequentie was overigens enorm. Ze kon dan ook alleen maar aanvaard worden vanuit het geloof dat de plaatselijke gemeente vanuit Schrift en belijdenis volwaardig ‘kerk van Christus’ genoemd mag worden.

Het is in dit licht dan ook goed te begrijpen dat in 1944 niet gekozen werd voor de term ‘afscheiding’, maar voor ‘vrijmaking’. Vanwege de andere organisatie van het kerkverband was een afscheiding als in 1834 niet aan de orde. In 1944 betrof het een synode die permanente trekken begon te krijgen en bovenschriftuurlijke bindingen oplegde. Ook de term ‘vrijmaking’ richtte zich dus op de organisatie van het kerkverband. Daarin ligt de kerkrechtelijke continuïteit met de Afscheiding.

In onze tijd hebben we te maken met nog een andere organisatie. De GKV zijn steeds losser georganiseerd. De verplichtingen komen vanuit de praktijk. Het is niet de synode die besluit dat de vrouw in het ambt moet kunnen dienen, maar het is de samenwerking met de Nederlands Gereformeerde Kerken die ervoor zorgt dat vrouwelijke ambtsdragers toegelaten worden. Op die manier worden kerken ook verplicht ze te tolereren. In sommige plaatselijke kerken maken liturgische commissies letterlijk ‘de dienst’ uit. Het is onoverzichtelijker en minder duidelijk, maar niet minder ernstig. Ik zou het willen typeren als verplichte vrijblijvendheid. De termen ‘afscheiding’ en ‘vrijmaking’ zijn hier geen van beide op van toepassing, hoewel de gebruikte term er uiteindelijk niet zo toe doet. Het gaat er ook nu weer om dat we ons niet mogen laten dwingen om te zondigen.

Ware en valse kerk

De Acte maakt onbekommerd gebruik van de termen ‘ware’ en ‘valse’ kerk. Dit heeft er alles mee te maken dat men zich heeft laten leiden door de gereformeerde belijdenis, waar deze termen ook worden gebruikt. In onze oren hebben de twee termen een bedenkelijke klank gekregen. Dat moet echter niet worden toegeschreven aan de belijdenis, maar aan een verkeerd toepassen van de belijdenis. Wie de termen ware en valse kerk gebruikt om kerken te etiketteren, past de belijdenis niet toe op de manier zoals ze bedoeld is. Wie in het huidige veld van kerken alles wat niet helemaal voldoet aan de eigen norm als valse kerk betitelt, maakt deze termen tot verdachte termen.

De termen ‘waar’ en ‘vals’ corresponderen met het meer hedendaagse ‘echt’ en ‘onecht’. In het verband van de kerk is het dan nog beter om te spreken over ‘echte kerk’ en ‘kerk, die ten onrechte van zichzelf beweert dat ze de kerk is’. Dat komt ook overeen met de historische setting van artikel 28 NGB. In artikel 28 wordt met de valse kerk speciaal op de Roomse kerk gedoeld. In de Acte wordt speciaal gedoeld op de NHK. In beide situaties gaat het dus om kerken waarvan men zojuist gedwongen afscheid genomen heeft. Het gaat ook in beide situaties om kerken die beweren dat niemand het recht heeft zich van haar af te scheiden en de mensen oproepen om zich bij haar te voegen.

De paus van Rome beweerde dat bij hem de kerk was en betitelde Luther als iemand die de kerk gebroken had. De NHK beweerde dat de Afscheiding een afscheiding was van de kerk en betitelde de kerk van Ulrum als separatistisch.

Luther schijnt in een terugblik op de rijksdag te Worms gezegd te hebben: ‘damals war ich die Kirche’. Zo heeft de kerkenraad van Ulrum in 1834 geloofd dat de gemeente van Ulrum een echte kerk gebleven was. Wie in die situatie vanuit het geloof zegt dat hij bij de echte kerk van Christus hoort, kan niet anders dan zeggen dat de gemeenschap die hen uitgeworpen heeft, ten onrechte van zichzelf beweert dat ze kerk is. En dat heet in confessionele termen ‘valse kerk’.

Toch moet er wel iets meer gezegd worden. De kern van het verschil tussen ware en valse kerk ligt in het Woord van God. De ware kerk wordt erdoor gekenmerkt, dat men zich richt naar het zuivere Woord van God, alles wat daarmee in strijd is verwerpt en Jezus Christus erkent als het enige Hoofd. Terwijl het kenmerk van de valse kerk is, dat ze aan zichzelf en haar verordeningen meer gezag toekent dan aan Gods Woord en dat ze zich niet aan het juk van Christus wil onderwerpen.

In de NHK was de tijdgeest van rationalisme, liberalisme en naturalisme diep doorgedrongen, tot in de prediking toe. Terwijl de gereformeerde belijdenis door vele predikanten als achterhaald werd beschouwd. Dat kwam het duidelijkst tot uiting in de verwerping van de Dordste Leerregels door steeds meer theologen. In de Dordtse Leerregels komt immers haarscherp naar voren dat de mens geen zucht aan zijn eigen zaligheid kan toevoegen, dat we afhankelijk zijn van honderd procent genade en dat de enige die geëerd kan worden God zelf is.

Als de kerk zich laat leiden door de geest van de wereld en de kern van het evangelie als achterhaald beschouwt, is de wereld binnengetreden in de kerk. Dan heeft de kerk zich aangepast aan de wereld en is ze bezig om precies het tegenovergestelde te doen van wat het ambt van alle gelovigen is, namelijk zich af te scheiden van hen die niet bij de kerk horen en zich te voegen bij de kerk. Maar een kerk die zich juist aan de wereld aanpast, houdt op den duur op kerk te zijn.

Juist dat uitvoeren van het ambt van de gelovigen werd door de Nederlands Hervormde Kerk verboden. Een kerk die dat doet, kan onmogelijk een echte kerk zijn. Daarom werd de titel ‘valse kerk’ gebruikt. Dat is een kerk die pretendeert de kerk te zijn, maar die het niet is.

Terugkeer

De ondertekenaars van de Acte verklaren geen gemeenschap meer te willen hebben met de Nederlands Hervormde kerk ‘tot dat deze terug keert tot de waarachtige dienst des Heeren’. Uit die zinsnede wordt duidelijk dat het gaat over terugkeer van de Nederlands Hervormde Kerk en niet tot de Nederlands Hervormde Kerk. Het zou, vanuit het besef dat de gemeente van Ulrum volwaardig kerk was, trouwens ook vreemd zijn om terug te keren tot een menselijk instituut.

Alleen al om die reden is het net iets te gemakkelijk wanneer mensen vandaag, met een beroep op de Acte, zeggen dat wij ons maar moeten aansluiten bij de HHK of zelfs een PKN-gemeente van Gereformeerde Bondssignatuur. Dan doe je alsof bestaande kerken die zich hebben verbonden tot (kleine) kerkverbanden geen volwaardige en echte kerken zijn en mis je een belangrijke overtuiging die de afgescheiden kerken juist altijd hebben gehad.

Dat neemt tegelijkertijd niet weg dat er wel degelijk een roeping uitgaat van het bestaan van de HHK.3 Ook al bestaat die roeping er niet in dat we ons meteen moeten aanmelden bij de HHK, we hebben wel te maken met een gemeenschap die zich wil richten naar het zuivere Woord van God, alles wat daarmee in strijd is wil verwerpen en Jezus Christus erkent als het enige Hoofd. We zullen, als we tenminste in de traditie van de Afscheiding willen staan, gemeenschap willen hebben met deze kerk.

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat de HHK niet voortkomt uit de traditie van de Afscheiding. Dat brengt een groot cultuurverschil met zich mee. Vergeleken met kerken die voortkomen uit de lijn Afscheiding, Doleantie, Vereniging en Vrijmaking, valt een aantal verschillen op. De landelijk georganiseerde kerkinrichting is daar één van. Een ander punt van verschil is de veel bredere doorwerking van wat wel bevindelijke prediking wordt genoemd. Hoe moeten we daar tegenaan kijken en hoe moeten we daarmee omgaan? Ook daarin kan de geschiedenis van de Afscheiding helpen.

Het lijkt me belangrijk dat we erkennen dat sinds de Afscheiding een repeterende breuk wel degelijk zichtbaar is geworden. En, hoewel dat niet terug te voeren is op de Acte, is het wel een gevolg van een verschillende interpretatie van de Afscheiding. We kunnen alleen al wijzen op het verschil in visie tussen ds. Hendrik de Cock en ds. H.P. Scholte, die beiden meegingen met de Afscheiding.

Juist bij een afscheiding is het uiterst belangrijk om extra veel te besef te hebben van de katholiciteit van de kerk. Het kan niet ontkend worden dat er met de Afscheiding ook een te betreuren afscheidingsbeginsel is meegekomen. We hoeven niet de volkskerkgedachte aan te hangen om in te zien dat het andere uiterste even gevaarlijk is. We zouden het kind met het badwater weggooien als we uit reactie steeds maar de noodzaak tot afscheiding benadrukken. De gedachte dat je de zieke moeder niet moet verlaten, is op zichzelf genomen geen onbijbelse gedachte! We zouden de katholieke overtuiging die spreekt uit de Acte verloochenen als we er de nadruk op zouden leggen dat verschillen kerkscheidend zijn en als we kerkelijk één-zijn zouden verschralen tot kerkelijk eens-zijn.

Helaas vertonen de kerken die zijn voortgekomen uit de Afscheiding geen florissant beeld. De theologische verscheidenheid die er ook in de afgescheiden kerken was, heeft zich vertaald in even zovele kerkverbanden. Daardoor is een bepaald type bevindelijke prediking verbonden geraakt aan een bepaalde kerk. En is een bepaald type verbondsmatige prediking weer verbonden geraakt aan een andere kerk. Er vindt dan ook geen noodzakelijke onderlinge correctie meer plaats, maar de onderlinge verschillen worden eerder steeds sterker geaccentueerd met allerlei eenzijdigheden tot gevolg.

Als we kijken naar de theologische samenstelling van de afgescheiden kerken, dan kan ons de verscheidenheid niet ontgaan. Juist in die afgescheiden kerken was het bevindelijke element sterk aanwezig. De bevindelijke geloofspraktijk was niet bij iedereen even gezond, maar het hoort als zodanig bij de bakermat van de traditie van de Afscheiding. Het kan ook niet los gezien worden van de herontdekking van de Dordtse Leerregels met hun pastorale nadruk op de beleving van het geloof en het werk van de Heilige Geest in het hart van de gelovigen. Het is niet mogelijk om, met een beroep op de Afscheiding, wel de noodzaak tot afscheiding te beklemtonen, maar het bevindelijke element als verdacht aan te merken.

Iets soortgelijks kan gezegd worden over de kerkinrichting. Zelfs als je ervan overtuigd bent dat een landelijk georganiseerde kerk in strijd is met het basisprincipe van de Dordtse Kerkorde, kun je er niet omheen dat ook de afgescheiden kerken (sinds 1869) een periode hebben gekend waarin zij zich landelijk hadden georganiseerd. Dat wil niet zeggen dat de kerkinrichting er niet toe doet. Dat wil wel zeggen dat het wezen en het voortbestaan van de kerk er niet van afhankelijk zijn.

Voorlopige conclusies

De belangrijkste doelstelling van dit artikel is om te leren van de geschiedenis. Soms moet je eerst de betekenis daarvan goed tot je door laten dringen voordat je de toepassing voor vandaag maakt. Toch is het goed om ook te kijken naar vandaag. Want wij komen vandaag vragen tegen die vandaag om een antwoord roepen. Ik trek daarom enkele voorlopige conclusies voor vandaag.

  1. Afscheid nemen van een kerkelijke gemeenschap kan niet zonder een goede verantwoording, waarbij het problematisch is om de noodzaak tot afscheiding eenzijdig te beklemtonen.

  2. Wie in de traditie van Afscheiding, Doleantie, Vereniging en Vrijmaking wil staan, doet er goed aan om zowel de continuïteit als het verschil te onderscheiden.

    • Er is continuïteit als het gaat om het positief verdedigen van de gereformeerde belijdenis en het negatief weigeren om mee te gaan met de dwang tot zondigen.
    • Er is verschil als het gaat om de kerkrechtelijke situatie.
  1. De roeping om de kerkelijke gemeenschap te onderhouden en niet te verbreken, geldt niet alleen ten aanzien van een deformerend kerkverband, maar ook ten aanzien van plaatselijke kerken en voorgangers die door dat deformerende kerkverband in de problemen zijn geraakt of buiten het kerkverband terecht zijn gekomen.

  2. Het is belangrijk om bezwaren tegen de afval van Gods Woord op een wijze en genuanceerde manier te uiten. Maar het is even belangrijk om niet te zwijgen en de afwijkingen van Gods Woord met man en paard te benoemen. Zij die op een onwijze manier tegen de afval strijden, moeten daarop worden aangesproken, maar we mogen ze niet laten vallen.

  3. Juist in een situatie waarin het komt tot een kerkelijke afscheiding, zal het besef van de katholiciteit van de kerk sterker dan ooit moeten worden beklemtoond.

    • In de verdeelde kerkelijke situatie van deze tijd zal ieder kerkverband zijn eigen traditionele bagage, vanuit een positieve benadering, toch kritisch moeten bekijken.

    • Het meer bevindelijke gedachtengoed, dat in andere kerken meer dan in de onze leeft, moet niet met achterdocht, maar met dezelfde positief-kritische blik worden benaderd.

    • Het is terecht om de lijn van Afscheiding, Doleantie, Vereniging en Vrijmaking te zien als weg waarlangs de Here zijn kerk heeft bewaard. Maar we mogen die lijn nooit exclusief maken, alsof de Here alleen langs die weg heeft gewerkt.
  1. Het is een zaak van geloof om te weten dat je in je eigen plaatselijke gemeente een lid mag zijn van de ware kerk.

  • Dat moet niet statisch worden opgevat. Het is geen kwestie van ‘ik heb eenmaal de goede kerkkeus gemaakt en nu zit het goed’. Het is er ook niet van afhankelijk dat alle andere kerken ‘minder goed’, ‘minder zuiver’ of zelfs ‘vals’ zijn.

  • Het moet juist dynamisch worden opgevat. Vanuit je eigen plaatselijke gemeente heb je de roeping om mee te werken aan de opbouw van de gemeente, aan de opbouw van een kerkverband en aan het herstel van eenheid tussen kerken. Kortom: het is een roeping om kerk te zijn (conform het ambt van alle gelovigen).

1Een duidelijk voorbeeld van dat laatste is de overstap van dr. H.J.C.C.J. Wilschut
2K. Schilder heeft juist daar veel nadruk op gelegd in publicaties, in het bijzonder Ons aller moeder en Beginsel, recht en beteekenis der Afscheiding.
3Ik laat nu even in het midden of de HHK met recht kan zeggen dat zij de wettige voortzetting zijn van de oude Nederlands Hervormde Kerk

 

L. Heres, 15 juni 2016