Geloofsverdieping met de Dordtse Leerregels (1)

De Dordtse Leerregels vormen ons jongste, maar tegelijkertijd misschien wel het meest ondergewaardeerde belijdenisgeschrift. Het is een geschrift dat voor sommigen vragen oproept vanwege de prominente plaats die de leer van de eeuwige uitverkiezing en verwerping erin inneemt. Ook is het geen belijdenis die veel op de voorgrond treedt. De Apostolische Geloofsbelijdenis en de Geloofsbelijdenis van Nicea worden regelmatig voorgelezen als vast onderdeel van de middagliturgie. Over de Heidelbergse Catechismus wordt iedere zondag gepreekt. Maar de Dordtse Leerregels functioneren veel meer op de achtergrond. Dat zou in ieder geval wel zo moeten zijn. Want het is een belijdenisgeschrift met grote waarde, niet in de laatste plaats in pastoraal opzicht.

Ontstaan

In dit artikel ga ik niet zozeer op de Dordtse Leerregels zelf in, maar vraag ik aandacht voor de tijd waarin ze zijn ontstaan. Vanuit de historische achtergrond van de Dordtse Leerregels zullen we ze nog beter kunnen begrijpen en de waarde ervan inzien.

Voor het ontstaan van de Dordtse Leerregels komen we uit bij de bekende synode van Dordrecht, die gehouden werd in de jaren 1618-1619. Dat is een belangrijk moment in de geschiedenis van de Nederlandse Gereformeerde Kerken. De eeuw van de Reformatie is dan echt voorbij. En, hoewel op de Dordtse Synode nog afgevaardigden uit andere Europese landen aanwezig zijn, zal de opkomst van de nationale staten ervoor zorgen dat ook de kerken zich in hun ontwikkeling richten op hun eigen land.

De eeuwen die hierna zullen volgen, staan ook wel bekend als de tijd van de gereformeerde orthodoxie. De synode van Dordrecht staat min of meer op een overgang van de ene naar de andere periode. Vanaf het einde van de 16e eeuw is de ontwikkeling naar de gereformeerde orthodoxie al begonnen, maar vanaf de 17e eeuw zal die ontwikkeling echt door gaan zetten. De totstandkoming van de Dordste Leerregels kunnen we daarom niet helemaal los zien van die ontwikkeling.

Scholastiek

Wat is er eigenlijk kenmerkend voor de tijd van de gereformeerde orthodoxie? Het is een tijd waarin men bezig is om de leer van de Bijbel op een heel nauwkeurige manier uiteen te zetten. Er wordt gewerkt met fijnzinnige onderscheidingen die soms behoorlijk ver uitgewerkt worden. Daarbij wordt bijvoorbeeld ook dankbaar gebruik gemaakt van de logica. De logica maakt het mogelijk om een bepaald stuk van de leer te verklaren en om een dwaling te weerleggen voor het menselijke verstand.

We noemen die periode dan ook wel de periode van de gereformeerde scholastiek. Het is namelijk een vrij schoolse methode, waarin de leraar aan de leerling uitlegt hoe de leer van de Bijbel in elkaar zit. In feite is het de methode van de Middeleeuwen waar de Rooms Katholieke Kerk mee is groot geworden, maar dan ingezet voor het verdedigen van de gereformeerde leer.

Waardering

Dat brengt ons op de vraag hoe we die scholastische methode moeten waarderen. Ik zal die vraag meteen iets breder trekken, want ook wij maken nog steeds wel gebruik van een vorm van deze methode. We komen in onze belijdenisgeschriften en onze dogmatiek ook allerlei onderscheidingen tegen. Een hele bekende is de drieslag ellende-verlossing-dankbaarheid uit de Heidelbergse Catechismus. Een ander voorbeeld zijn de woorden die in artikel 1 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis worden gebruikt om de eigenschappen van God mee aan te duiden.

Je zou je kunnen afvragen of die methode wel gebruikt mag worden en of het wel past bij de aard van het geloof. Het antwoord op die vraag is ja. Want God richt zich in zijn openbaring op ons verstand. Hij heeft ons geschapen als mensen met een verstand en daarom zou het eerder niet bij de aard van het geloof passen als we ons verstand niet zouden gebruiken.

Verder is deze methode geschikt om de leer van de Bijbel uit te leggen. Om een voorbeeld te geven: de troost dat wij in leven en sterven het eigendom zijn van onze trouwe Heiland Jezus Christus is zo veelomvattend dat je meerdere woorden nodig hebt om dat uit te leggen. Het helpt dan wel als er een systematiek in die uitleg zit. Het is logisch om dan te beginnen bij de ellende, om vervolgens te gaan spreken over de verlossing en tenslotte over de dankbaarheid.

Een andere reden om heel precies te zijn in de onderscheidingen die je gebruikt, is om allerlei menselijke dwalingen de pas af te snijden. Een voorbeeld: Er leven in de wereld allerlei gedachten over God. Ook wij kunnen er soms zomaar in meegaan. Bijvoorbeeld de gedachte dat God niet meer is dan een idee die niet werkelijk bestaat. Tegenover zo’n gedachte belijd je dan dat God een wezen is. Maar mensen die wel geloven dat er een God bestaat, denken soms dat Hij uit materie bestaat. Ze zien Hem bijvoorbeeld in de natuur. Daartegenover belijd je dat God een geestelijk wezen is. Dan zijn er ook nog gedachten over God alsof Hij een goede en een kwade kant heeft. De ene keer is Hij barmhartig, de andere keer rechtvaardig. Daartegenover belijd je dat God éénvoudig is. En dan zijn er nog de mensen die menen dat er meerdere goden zijn. En daarom zegt bijvoorbeeld artikel 1 van de NGB dat God ‘een geheel enig en éénvoudig geestelijk wezen’ is. Die precieze formulering is belangrijk om het geloof zuiver te houden, juist tegenover menselijke spitsvondigheden.

Valkuilen

Tot zover het goed recht en het belang van een verstandelijke of scholastische methode. Maar het is wel belangrijk om te beseffen dat God en zijn openbaring ons verstand oneindig ver te boven gaan. En dat de mens die het verstand van God gekregen heeft, ook de neiging heeft om daar op een hoogmoedige manier mee om te gaan.

Daarom ga je niet de goede weg op als je artikel 1 NGB gebruikt om God in beeld te krijgen of een omschrijving van Hem te geven. Je gebruikt de dogmatiek ook verkeerd als je daardoor denkt God te kunnen begrijpen. Voor je het weet ben je zelf spitsvondig bezig. Ook zou het een vergissing zijn als we het geloof zouden laten opgaan in verstandelijke kennis. Want wat we met ons verstand weten, geloven we daarmee nog niet automatisch met ons hart.

Er is nog een valkuil. Dogmatische onderscheidingen zijn bedoeld om dat wat bij elkaar hoort inzichtelijk te maken voor het verstand. Maar vaak worden die dingen die bij elkaar horen zover uit elkaar getrokken dat er zaken gescheiden worden die voor de Heere niet gescheiden zijn. Je kunt ellende, verlossing en dankbaarheid zover uit elkaar trekken dat je de onderlinge verwevenheid kwijtraakt. Als je de ellende losmaakt van de verlossing, dan maak je de ellende los van de kennis van Christus. Dan ga je vergeten dat je alleen door het geloof in Christus kennis van je zonden krijgt.

De Rooms Katholieke scholastiek was in al die valkuilen getrapt. De gereformeerde scholastiek ging er heel anders mee om. Ze werkte verder in het spoor van de Reformatie, die het eenvoudige geloof in Christus en zijn beloften als uitgangspunt nam. Toch gingen de theologen enkele generaties na de Reformatie veel scholastischer te werk dan de reformatoren zelf. Je ziet het bijvoorbeeld al aan de verklaring van de Heidelbergse Catechismus door Zacharias Ursinus (Het Schatboek), dat na zijn dood verscheidene keren is uitgegeven.

Gevoel en ervaring

Deze nadruk op het verstandelijke bracht een reactie op gang die nadruk legde op het gevoel. Niet alleen de leer moest zuiver onder woorden worden gebracht, ook het leven moest worden gereformeerd. Op zijn minst voelde men de noodzaak van meer evenwicht tussen verstand en ervaring.

In de verschillende Europese staten ontwikkelde zich dat op verschillende manieren. In Duitsland kwam het piëtisme op. Maar die invloed drong ook door tot Nederland, waar de beweging van de Nadere Reformatie ontstond, en in Engeland, waar de typering ‘puriteinen’ gebruikt werd.

Ook het piëtisme kan ontaarden in eenzijdigheid. Dat gebeurt bijvoorbeeld als het gevoel zozeer als uitgangspunt wordt genomen dat het geloof opgaat in de ervaring. Of als er een vorm van mystiek wordt aangeprezen waarbij het onderscheid tussen de gelovige en Christus wordt opgeheven.

Evenals van de scholastiek kan van de mystiek gezegd worden dat ze haar wortels heeft in de Rooms Katholieke Kerk van de Middeleeuwen.

Het is niet zo vreemd dat een verstandelijke benadering en een benadering vanuit de ervaring goed bij elkaar aansluiten. Het ene vult het tekort van het andere aan. Er wordt dan gezocht naar een evenwicht. Ook in de periode van de gereformeerde scholastiek was dat het geval.

Juist in de ervaring van de gelovige werden fijnzinnige onderscheidingen aangebracht. Zo kun je bijvoorbeeld onderscheiden in bekommerd geloof, toevluchtnemend geloof, doorgeleid geloof, verzekerd geloof of nog andere onderscheiden standen in het geloofsleven. Ook hiervan geldt dat die onderscheidingen zowel goed als verkeerd gebruikt kunnen worden. Wij kennen vooral het verkeerde gebruik, namelijk dat het ene geloof verscheurd wordt in allerlei verschillende soorten geloof met als gevolg dat iemand die niet kan zeggen dat hij een verzekerd geloof heeft, in twijfel wordt achtergelaten. Maar dit onderscheid kan ook heel goed pastoraal worden gebruikt. Bijvoorbeeld door iemand die ongerust is vanwege zijn zonden erop te wijzen dat zoiets een vrucht van de Heilige Geest en daarmee van het geloof is. Voor zo iemand zal het een aanmoediging zijn om de toevlucht tot Christus te nemen.

Evenwicht

De bewegingen van de Nadere Reformatie en het puritanisme kenmerken zich door dat evenwicht tussen verstand en gevoel en het evenwicht tussen leer en leven. Een ander evenwicht is dat tussen wet en evangelie. Teveel nadruk op de wet zou leiden tot eenzijdige aandacht voor de zonde en de angst om verloren te gaan. Teveel nadruk op het evangelie zou leiden tot gebrek aan zondebesef en lichtvaardig omgaan met het geloof.

Dat zoeken van evenwicht kan positief benaderd worden, maar heeft ook een risico in zich. Het is zondermeer positief dat eenzijdigheden worden vermeden. In de praktijk geeft dat een evenwichtige houding. Maar tegelijkertijd is het waar dat wie zoekt naar een evenwicht een stabiele ondergrond mist. Juist daardoor blijft het risico steeds aanwezig dat men toch in eenzijdigheden vervalt.

Die stabiele ondergrond hadden de reformatoren nou juist gevonden in het geloof in het evangelie. Wet en evangelie zijn geen tegenpolen, maar liggen in elkaars verlengde. De wet is evangelie, omdat de Wetgever ook de Gever van de belofte is. En het evangelie eist op haar beurt geloof en geeft zondekennis. Calvijn zag dat scherper dan Luther.

Zo zijn ook leer en leven geen tegenpolen. De gezonde leer is een levende en een geleefde zaak. Wanneer we kijken naar de periode van de gereformeerde orthodoxie, waarvan de wortels al liggen in de tweede helft van de 16e eeuw, zien we dat dat inzicht aan het begin van die periode duidelijker aanwezig is dan aan het einde ervan. Aan het begin van die periode kunnen we spreken van verdieping van de Reformatie. In die periode zijn ook de Dordtse Leerregels geschreven. Aan het einde van die periode is er veel winst verloren gegaan door spitsvondigheden en een op ervaring gebaseerde theologie. De volgende keer hoop ik dieper in te gaan op een vergelijking van de Reformatie en het Engelse puritanisme.